Meesterschap is vakmanschap

In dit prachtige fragment “het terrasje” vertelt de cabaretier Lebbis over vakmanschap. Hij schetst een terrasje waar alles klopt en de serveerster echt goed is. Hij eindigt met de verzuchting dat zulke terrasjes niet bestaan. Maar ze bestaan wel. Vakmanschap bestaat, en het is op veel plekken te vinden. Een van mooiste kanten van mijn vak als adviseur is dat ik de kans krijg om echt vakmanschap te zien en mee mogelijk te maken. Professionals die met hart, hoofd en handen hun vak uitoefenen, dat wil je op een terrasje, maar zéker in de zorg en in het onderwijs.

Zo sprak ik laatst een jonge docent. Hij vertelde hoe hij het eerste jaar na de opleiding nog veel moest leren. Gelukkig kreeg hij binnen de school een mentor: een docent die al wat langer in het vak zat, en beschikbaar was voor raad en daad. De eerste maanden werkte hij enorm hard. Elke les werd tot in detail voorbereid, vakinhoudelijk, didactisch en afgestemd op de klas. Routine had hij immers nog niet.

Eigenlijk werkte hij te hard, en zijn mentor zag het. Hij kreeg het advies om eens een paar weken geen enkele les voor te bereiden. Het was een goed advies. Hij leerde dat hij op zichzelf en zijn improvisatievermogen kon vertrouwen. Dat hij de inhoud van zijn vak beheerste en ook onverwachte vragen kon beantwoorden. Dat hij door in de klas alert te zijn op individuele leerlingen, de groep en de sfeer een goed didactisch klimaat kon bieden. Zo vond hij een evenwicht tussen voorbereiden en in het moment zijn.

In het tweede jaar dat hij les gaf kreeg hij een mentorklas. Zijn collega’s hadden gezien dat hij oog had voor zijn leerlingen, en omdat hij in zijn opleiding een minor interventiekunde had gevolgd kon hij zijn eerste “eigen” brugklas ook echt iets bieden. De school organiseert elk jaar een survivalweek voor de brugklassen in de Ardennen, en hij bedacht dat een groot deel van zijn klas misschien wel helemaal niet gewend was om lange stukken door de natuur te lopen. Dus organiseerde hij op een zaterdag een proefwandeling. Zo kon hij zien welke kinderen geen goede schoenen hadden, en daar eventueel nog iets voor regelen. En hij kon observeren hoe het met de conditie zat van deze stoere maar toch ook nog kwetsbare brugpiepers. De survival werd een groot feest.

In het derde jaar kreeg hij taken om ook aan de vakgroepontwikkeling bij te dragen. Lachend vertelde hij me dat hij de eerste jaren helemaal niet door had gehad dat zijn collega’s hem “vrij hielden”. Ze gaven hem de ruimte om zich eerst in zijn vak te ontwikkelen, en namen daarom als ervaren docenten de wat meer organisatorische werkzaamheden op zich. Zo kreeg hij de tijd om te ontdekken en te leren. En om te genieten van zijn werk: een klimaat creëren waarin jongeren kunnen leren en zich kunnen ontwikkelen, en hen zijn vak bijbrengen.

Deze docent houdt van zijn leerlingen, en van zijn vak. Hij heeft een breed perspectief op hoe je een goed docent kunt zijn. Hij werkt in een omgeving met collega’s die zich verantwoordelijk voelen voor elkaar. Hij werkt in een organisatie waar ruimte is om als collega’s samen het werk te organiseren. Hij en zijn collega’s beseffen dat ontwikkeling nodig is om met plezier en kwaliteit je vak uit te oefenen, en ze besteden daar tijd en aandacht aan. Meesterschap is vakmanschap!

schoolbord