Wat we zeggen

“In de verzorgingshuizen en verpleeghuizen is er oprecht interesse in u”. “Bij ons draait alles om uw unieke verhaal”. “De behoefte van de cliënt staat daarbij centraal”. “De verwanten zijn natuurlijke partners”. “We beschouwen een situatie niet als een gegeven; we bekijken deze altijd vanuit het besef dat elke situatie uniek is en met oprechte interesse, omdat ieder mens anders is”. “Dit doen wij door merkbare mensgerichte zorg te bieden en samen de mogelijkheden van de cliënt te ontplooien”. “Wij stemmen ons werk altijd af op de wensen en behoeften van onze cliënten”. “We luisteren, kijken en stemmen steeds af met u (of uw contactpersoon) over uw wensen en mogelijkheden”. “Oók als u zorg nodig heeft, wilt u zelf keuzes kunnen maken”. “Wat de verlangens van onze cliënten ook zijn: wij luisteren”.

Deze teksten komen van de websites van een aantal Rijnlandse organisaties in de langdurige zorg. Dat organisaties inmiddels echt vanuit de vraag van de cliënt willen werken moge duidelijk zijn. Het is interessant om te verkennen hoe dat in de dagelijkse praktijk van zorgen en organiseren ook zichtbaar wordt. Dat de werkelijkheid soms weerbarstiger is blijkt uit de onderstaande voorbeelden.

Wat er (ook) gebeurt in organisaties

Welkom

De nieuwe mevrouw op de afdeling Somatiek komt aarzelend de eetkamer binnenrijden. Een medewerker ziet haar binnenkomen, pakt resoluut haar rolstoel en zet mevrouw aan tafel bij drie andere dames. “Wat wilt u drinken?” vraagt de medewerker, en in het weglopen luistert ze naar het antwoord. De dames aan tafel kijken de nieuwe mevrouw schuin aan. “U mag niet bij ons aan tafel”, zegt er een, “dit is onze tafel”. Wat een nare opmerking. En hoe waar is het tegelijkertijd, wat ze zegt. Het is haar tafel, zij is de cliënt, en niemand heeft haar verteld dat er een nieuwe mevrouw komt, laat staan dat iemand haar gevraagd heeft of zij deze nieuwe mevrouw wil verwelkomen.

Het Bankstel

Het verzorgingsteam van ernstig meervoudig beperkte cliënten heeft eindelijk geld gekregen om de woonkamer opnieuw in te richten. Het bankstel, dat in de ogen van de ouders vreselijk in de weg staat met al die cliënten in rolstoelen, kan vervangen worden. Twee medewerkers hebben een plan gemaakt.  De meubels zijn inmiddels besteld. En er komt weer een groot bankstel. Dat ongetwijfeld weer in de weg gaat staan. De ouders zijn boos. Dat geld is er op hun aandringen gekomen. Maar niemand heeft hen iets verteld, zij hebben niet meegedacht, en door de gang van zaken bieden zij ook niet meer aan om te komen helpen met behangen en schilderen. Wat ooit de potentie had van samen overleggen over wat goed is voor de cliënten, van gedeeld eigenaarschap en samen een klus klaren is verworden tot een vervelende geschiedenis.

Verhuizen

De afdeling Somatiek zit op de bovenste verdieping van het gebouw. Niet handig, want de bewoners zijn deels nog best mobiel, en zij zouden graag meer gebruik maken van de tuin en van het restaurant op de begane grond. De lift is een sta-in-de-weg. De bestuurder is op werkbezoek en bespreekt de situatie met de locatiemanager. Samen bedenken ze dat een verhuizing van de afdeling naar een andere locatie eigenlijk het beste is, dan wordt de bovenste verdieping ook een PG afdeling. Dat is praktisch, dan is het hele pand PG, en er is ook echt behoefte aan extra bedden voor deze doelgroep. Ze zetten dit voorstel op de agenda om in het MT verder uit te werken. Sommige bewoners wonen hier al meer dan tien jaar. Voor ieder van de cliënten is dit de plek waar ze naartoe verhuisden in de overtuiging dat ze hier de rest van hun leven zullen doorbrengen. Medewerkers hebben bewust gekozen voor het werken op deze afdeling met deze doelgroep. In een werkbezoek van een half uur is de toekomst van bewoners en medewerkers zonder dat zij dat weten drastisch gewijzigd.

Mijn keuken

De vrijwilliger heeft niets te doen, ze zou met drie bewoners een spelletje spelen, maar één mevrouw is opgenomen in het ziekenhuis, en een ander heeft haar dochter op bezoek. De vrijwilliger pakt een emmertje sop en gaat samen met de derde mevrouw de keukenkastjes in de huiskamer soppen. Ze hebben samen plezier en halen herinneringen op aan vroeger. En nu ze toch bezig zijn zetten ze ook de kopjes en de borden in een ander kastje, dat is veel handiger. De huiskamermedewerker zit ondertussen huilend bij de teammanager, want als vrijwilligers zomaar ongevraagd kunnen gaan soppen, waar is zij dan nog van? En is het soms de bedoeling dat vrijwilligers haar werk in de toekomst gaan overnemen? En wie bepaalt er eigenlijk de inrichting van de kastjes, het is toch haar keuken?

Kan het anders? En hoe is het dan goed?

In de Rijnlandse traditie hebben we het vaak over de organisatie als een werkgemeenschap. Als je de intramurale zorg zou zien als een woon-werkgemeenschap, hoe zou je het dan doen? Wie bepaalt dan de inrichting van een gezamenlijke ruimte, wie bedenkt de toekomststrategie van de locatie, wie bepaalt waaraan tijd besteed wordt en in welke sociale omgeving je je boterhammetje eet? En hoe organiseer je dat? Wat willen en kunnen cliënten en hun naasten eigenlijk, als het gaat om zeggenschap? En wat betekent dat voor medezeggenschap? Denken we stiekem toch niet nog heel vaak vóór de ander, in plaats van mét de ander? En wat moet je doen, denken, van waarde vinden en voelen in organisaties, om dat mogelijk te maken?

Yvette Paludanus en Jaap van der Mei, januari 2020

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.