Filosoferen in de file

Chimpansee of Bonobo?
De laatste tijd vind ik het druk op de wegen. Zal wel komen doordat de economie aantrekt. In die drukte moet ik hard werken om mijn positieve mens- en zelfbeeld op peil te houden. Dat valt namelijk niet mee, temidden van al het dikke-ikken gedrag (waar ik, eerlijk is eerlijk, ook mijzelf op betrap) in het verkeer. Rechts inhalen, bumperkleven. Ritsers er niet tussen laten, of niet aansluiten bij het ritsen maar er toch nog voorbij, desnoods via de vluchtstrook. Toeteren, afsnijden, op je voorhoofd wijzen, middelvinger opsteken. In de file slalommend van baan wisselen en daarmee 1 minuut eerder aankomen. Vandeweek was ik zo boos dat er iemand voor me expres op de rem ging om een beetje te etteren, dat ik een foto maakte van zijn kenteken. Wat ik er mee moest, geen idee, dus inmiddels heb ik de foto maar weer gewist. En overigens bleek het ook nog een vrouw te zijn, horkgedrag is niet altijd toe te schrijven aan machomannetjes.

Ik moest denken aan Frans de Waal, die in zijn boek ‘De Bonobo en de tien geboden’ zegt dat we genetisch veel gemeen hebben met chimpansees, maar ook met bonobo’s. Chimpansees lossen conflicten en het verdelen van voedsel op met agressie, repressie en geweld. Bonobo’s lossen het op door elkaar aandacht en plezier te geven, vooral door heel veel seks te hebben. Nou lijkt dat laatste me niet zo veilig in het verkeer, en thuis verwacht ik daar ook wat problemen mee. Maar wat meer Bonobo en wat minder Chimpansee in de file, dat lijkt me wel wat.

Tegenwerkende overheid en denken voor de ander?
Op radio 1 vandaag het nieuws dat de Christenunie wil dat we voortaan met ons bibliotheekpasje in alle bibliotheken terecht kunnen. Voortaan moeten we onze boeken overal in kunnen leveren. Ik vroeg me gelijk af wat dat kost. In veel gemeenten sluiten bibliotheken of houden ze met moeite het hoofd boven water. Een landelijk automatiseringsproject om zo’n nationaal lidmaatschap mogelijk te maken, hoe veel bibliotheken zou je voor dat geld open kunnen houden? Ik vroeg me ook af wat dat betekent voor bibliotheekjes die nu in vrijwilligershanden overgaan. En voor bibliotheekjes die spontaan ontstaan in buurthuizen en wijkcentra, omdat mensen samen het heft in eigen handen nemen en hun eigen boeken aan elkaar ter beschikking stellen.

En ik vroeg me af of de Christenunie onderzoek heeft gedaan onder bibliotheekgebruikers: willen zij wel op meerdere plekken hun boeken halen en inleveren? En ik vroeg me af wie dan al die boeken weer op de goede plek gaat krijgen. Maar dat probleem heb ik opgelost: mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt kunnen dan als arbeidsproject met bij elkaar gesponsorde buurtbusjes vast ook wel boeken gaan rijden. Misschien kunnen we daarmee gelijk ook nog in afgelegen dorpen een soort mobiele bibliotheekfunctie creëren. In de zorg hoor ik medewerkers (tot mijn genoegen) steeds vaker de afkorting NIVEA gebruiken: niet invullen voor de ander. Misschien moet de Christenunie gewoon nog wat “zalvender” worden.

Een slager zijn eigen vlees laten keuren
De vleessector zou, zo was overeengekomen, minder bezoek van de overheid krijgen en zelf meer controles gaan doen over kwaliteit en veiligheid. Dat blijkt niet te werken. Dus nu gaat de overheid weer controleren. Wel wordt bekeken hoe de vleessector dit dan zelf kan gaan betalen. Oh, oh, wat zeggen ze ook al weer? “Wie betaalt, bepaalt?” Stilstaand verkeer bij Zoetermeer vandaag, dan kun je aardig filosoferen over wat er voorbijkomt op radio 1. Als iets niet goed gaat is onze eerste reactie vaak meer controle. Maar zou dat nou wezenlijk bijdragen?

Hoe komt het toch dat medewerkers en organisaties dingen doen die voor anderen nadelen en gevaren opleveren? Misschien omdat de afstand van de slachter en de handelaar tot de klant te groot is, en die klant geen gezicht heeft? Hoe komt het dat een boer intensief zijn varkens in te kleine hokken stopt, en tegelijkertijd op zijn erf een paar varkens voor eigen slacht heeft, omdat dat beter voelt, lekkerder smaakt, gezonder is? Zijn eigen kinderen kijken hem aan tijdens het eten, de kinderen van zijn eindgebruikers niet.

Als consument kan ik er zelf natuurlijk veel aan doen. Ik kan minder vlees gaan eten. En ik kan lokaal kopen, bij een slager die nog zelf slacht, of die in ieder geval weet waar en hoe zijn vlees nog rondliep. Een slager die zijn klanten in de ogen kijkt als ze een pond gehakt komen kopen. Die slager keurt dan misschien wel zijn eigen vlees, maar dat is ook zijn vak, zijn ambacht, en dan speelt beroepseer en beroepstrots een grote rol. En hij weet voor wie hij keurt: voor die leuke vrouw van drie straten verderop, dat oudere echtpaar, dat gezin waar net een tweeling geboren is, die statige meneer die een half onsje rosbief komt halen.

bonobos